← Terug naar oefeningen
Oefening 1

Vertaal: zijn en niet zijn

Typ de Kroatische vertaling. Let op man of vrouw. Hoofdletters, leestekens en accenten (š, č, …) hoeven niet.

0 / 0 goed

Nederlands:Ik ben geen student.

Nederlands:Luka heeft honger.

Nederlands:Is Ana hier?

Nederlands:Wij komen uit België.

Nederlands:Ik heb honger. (je bent een vrouw)

Nederlands:Zijn jullie moe?

Nederlands:Zij is lerares.

Nederlands:Komt u uit Zagreb?

Nederlands:Nee, ik ben niet ziek. (je bent een man)

Nederlands:Ana is hier niet.

Nederlands:Zij zijn hier.

Nederlands:Ben je gelukkig? (tegen een vriendin)

Nederlands:Waar is Marko?

Nederlands:Wij komen niet uit Kroatië.

Nederlands:Hij is arts.

Nederlands:Ik ben moe.

Oefening 2

Vertaal: vragen

Typ de Kroatische vertaling. Hoofdletters, leestekens en accenten (š, č, …) hoeven niet.

0 / 0 goed

Nederlands:Waar komt u vandaan?

Nederlands:Waar zijn de kinderen?

Nederlands:Hoe heet je?

Nederlands:Hoeveel kost het?

Nederlands:Wie is dat?

Nederlands:Zijn jullie studenten?

Nederlands:Hoeveel kost de koffie?

Nederlands:Is dat een boek?

Nederlands:Wat is dat?

Nederlands:Waar is de bril?

Nederlands:Waar kom je vandaan?

Nederlands:Wie zijn zij?

Nederlands:Ben jij lerares?

Nederlands:Komen zij uit Kroatië?

Nederlands:Hoe gaat het met u?

Nederlands:Is Marko moe?

Oefening 3

Vertaal: het meervoud

Typ de Kroatische vertaling. Denk aan de uitzonderingen. Hoofdletters, leestekens en accenten (š, č, …) hoeven niet.

0 / 0 goed

Nederlands:de artsen

Nederlands:de huizen

Nederlands:de tanden

Nederlands:de gasten

Nederlands:De kinderen zijn daar.

Nederlands:De studenten zijn moe.

Nederlands:de ogen

Nederlands:de steden

Nederlands:De honden zijn daar.

Nederlands:de dorpen

Nederlands:de messen

Nederlands:De mensen zijn hier.

Nederlands:De boeken zijn hier.

Nederlands:de leerlingen

Nederlands:de broers

Nederlands:de namen

Oefening 4

Vertaal: bijvoeglijke naamwoorden

Typ de Kroatische vertaling. Let op het echte geslacht. Hoofdletters, leestekens en accenten (š, č, …) hoeven niet.

0 / 0 goed

Nederlands:goede wijn

Nederlands:Het weer is mooi.

Nederlands:De broek is zwart.

Nederlands:een goede papa

Nederlands:De boeken zijn duur.

Nederlands:kleine dorpen

Nederlands:Goedenavond!

Nederlands:een oude stad

Nederlands:rode schoenen

Nederlands:goed nieuws

Nederlands:goede mensen

Nederlands:Luka is moe.

Nederlands:een groot huis

Nederlands:De zee is koud.

Nederlands:een blauwe trui

Nederlands:Het huis is mooi.

Oefening 5

Vertaal: getallen, eten en het lichaam

Typ de Kroatische vertaling. Hoofdletters, leestekens en accenten (š, č, …) hoeven niet.

0 / 0 goed

Nederlands:vijf euro

Nederlands:Het kost tien euro.

Nederlands:De rekening, alstublieft.

Nederlands:één huis

Nederlands:twee euro

Nederlands:één euro

Nederlands:Eén koffie, alstublieft.

Nederlands:De soep is lekker.

Nederlands:twee boeken

Nederlands:Mijn been doet pijn.

Nederlands:drie euro

Nederlands:Eén bier, alstublieft.

Nederlands:één dorp

Nederlands:Ik heb hoofdpijn.

Nederlands:Hoeveel kost de jas?

Nederlands:twee steden

Oefening 6

Antwoord op de vraag

Lees de vraag en typ je antwoord in het Kroatisch. Soms staat erbij wat je wilt antwoorden. Hoofdletters, leestekens en accenten hoeven niet.

0 / 0 goed

Iemand zegt:Je li Ana ovdje?

Het kost tien euro.

Iemand zegt:Koliko košta majica?

Ja, het appartement is groot.

Iemand zegt:Je li stan velik?

Ze zijn daar.

Iemand zegt:Gdje su djeca?

Het kost twee euro.

Iemand zegt:Koliko košta kava?

Iemand zegt:Kako si?

Iemand zegt:Jesi li umoran?

Ja, de soep is lekker.

Iemand zegt:Je li juha dobra?

Dat is Marko.

Iemand zegt:Tko je to?

Iemand zegt:Odakle si?

Nee, de zee is niet koud.

Iemand zegt:Je li more hladno?

Iemand zegt:Jeste li Vi iz Zagreba?

Een boek.

Iemand zegt:Što je to?

Iemand zegt:Kako se zoveš?

Ja, de schoenen zijn nieuw.

Iemand zegt:Jesu li cipele nove?

Ja, jullie hebben allemaal honger.

Iemand zegt:Jeste li gladni?

Oefening 7

Stel de vraag

Je ziet het antwoord. Typ in het Kroatisch de vraag die erbij hoort.

0 / 0 goed

De ander antwoordt:Jesmo, gladni smo.

De ander antwoordt:Jesam, umoran sam.

De ander antwoordt:Zovem se Petra.

De ander antwoordt:Nije, Ana nije ovdje.

De ander antwoordt:Jest, Marko je ovdje.

De ander antwoordt:To je kuća.

De ander antwoordt:Iz Splita sam.

De ander antwoordt:To je Ana.

De ander antwoordt:Kava je dva eura.

De ander antwoordt:Jesu, oni su studenti.

De ander antwoordt:Dobro sam, hvala. A ti?

De ander antwoordt:Ja sam Luka.

De ander antwoordt:Iz Zagreba smo.

De ander antwoordt:Pet eura.

De ander antwoordt:Ana je tamo.

De ander antwoordt:Nisam, nisam gladna.

Oefening 8

Verbeter de fout

In elke zin zit één fout. Schrijf de zin juist.

0 / 0 goed

Fout:Pasi su tamo.

Fout:Ana je bolestan.

Fout:Sam umoran.

Fout:Luka je umorna.

Fout:Kuća je velik.

Fout:Jesi li Vi iz Zagreba?

Fout:Mi nisu iz Hrvatske.

Fout:Studenti su umoran.

Fout:jedan kuća

Fout:Djeca je tamo.

Fout:Ja je umoran.

Fout:Gdje je naočale?

Fout:Gostovi su tu.

Fout:dva knjige

Fout:pet euro

Fout:Dobar večer!

Oefening 9

Bouw de zin (kort)

Typ de zin, of tik de woorden aan in de juiste volgorde. Hoofdletters, leestekens en accenten hoeven niet. Let op: er zit soms een woord bij dat er niet in hoort.

0 / 0 goed

De honden zijn daar.

Waar komt u vandaan?

Heb je honger?

Dat zijn mooie namen.

De broek is blauw.

Ana is hier niet.

Goedenavond!

Eén koffie, alstublieft.

Ik heb hoofdpijn.

Luka is moe.

Waar zijn de kinderen?

De leerlingen zijn hier.

Hoeveel kost het T-shirt?

Ik kom uit België.

De koffie kost twee euro.

Waar is Marko?

Oefening 10

Bouw de zin (lang)

Typ de zin, of tik de woorden aan in de juiste volgorde. Hoofdletters, leestekens en accenten hoeven niet. Let op: er zit soms een woord bij dat er niet in hoort.

0 / 0 goed

Ben je moe, Ana?

De deur is daar, en de bril ligt hier.

Wij komen niet uit Kroatië, wij komen uit België.

De studenten zijn moe en hebben honger.

Goed, dank je, en met jou?

Hoeveel kost het rode T-shirt?

Ben je moe, Ana?

De kinderen en de honden zijn daar.

Komt u uit Zagreb?

Dit is een boek, en dat daar is een huis.

De artsen zijn hier, en de leerlingen daar.

Het huis is groot en mooi.

Luka is een goede collega.

De boeken zijn duur, en het brood is goedkoop.

Papa is moe, en mama is gelukkig.

De gasten zijn hier, en de kinderen daar.

Oefening 11

Klik het geslacht aan

Woorden uit alle lessen, ook de uitzonderingen. Kijk niet alleen naar de laatste letter!

0 / 0 goed
mlijeko
kolega
kava
tata
uho
večer
more
radost
džemper
noć
ime
nos
majica
auto
koljeno
sir
Oefening 12

Zet in het meervoud

Gewone regels en uitzonderingen door elkaar. Accenten hoeven niet.

0 / 0 goed

Enkelvoud:čovjek

Enkelvoud:dijete

Enkelvoud:oko

Enkelvoud:kuća

Enkelvoud:brat

Enkelvoud:učenik

Enkelvoud:selo

Enkelvoud:grad

Enkelvoud:pas

Enkelvoud:gost

Enkelvoud:ime

Enkelvoud:more

Enkelvoud:student

Enkelvoud:nož

Enkelvoud:noć

Enkelvoud:tata

Oefening 13

Welke vorm past?

Biti, getallen en bijvoeglijke naamwoorden door elkaar. Kijk goed naar het woord waar het bij hoort.

0 / 0 goed

Mi ___ iz Belgije.

___ tata

Vrijeme je ___.

Ana ___ umorna.

___ knjiga

Gdje ___ naočale?

Luka je ___.

Ja ___ umoran.

Sela su ___.

Kuće su ___.

___ večer!

dva ___

Je vraagt het aan een vriend.

___ li umoran?

Cipele su ___.

___ knjige

Djeca ___ tamo.

Oefening 14

Wat zeg je?

Lees de situatie en kies wat je zegt.

0 / 0 goed

Je klinkt met je glas.

Je hebt hoofdpijn.

Je komt ’s ochtends een winkel binnen.

Je wilt weten hoeveel iets kost.

Iemand bedankt je.

Je botst per ongeluk tegen een vriend aan.

Je vertelt dat je uit België komt.

Je vraagt een oudere buurvrouw hoe het gaat.

Iemand begint te eten.

Je wilt betalen in het restaurant.

Je wilt weten waar een vriend vandaan komt.

Je wilt weten wie dat is.

Je vraagt waar de bril is.

Je begrijpt het niet.

Je gaat slapen.

Je maakt kennis met iemand.

Oefening 15

Goed of fout?

Lees de zin en kies of hij klopt. Na je keuze zie je waarom.

0 / 0 goed

ime is mannelijk.

more is onzijdig.

Na dva, tri en četiri zeg je eura.

Na pet zeg je euro.

Jesi li…? is formeel.

Woorden op -ost zijn vrouwelijk.

Je zegt: jedan knjiga.

dvije gebruik je bij vrouwelijke woorden: dvije knjige.

vrata is vrouwelijk enkelvoud.

In het meervoud gebruik je su.

Boli me glava. betekent: ik heb hoofdpijn.

Het meervoud van čovjek is čovjeki.

Met Vi spreek je iemand formeel aan.

De korte vorm mag vooraan: Sam umoran.

Het meervoud van pas is psi.

tata is vrouwelijk, want het eindigt op -a.

Oefening 16

De vreemde eend

Welk woord past niet bij de andere twee? Lees de vraag goed: die verandert telkens.

0 / 0 goed

Welk woord is geen vraagwoord?

Welk woord heeft een ander geslacht dan de andere twee?

Welk woord is geen lichaamsdeel?

Welk woord heeft een ander geslacht dan de andere twee?

Welk woord heeft een ander geslacht dan de andere twee?

Welk woord heeft een ander geslacht dan de andere twee?

Welke uitdrukking is geen begroeting?

Welk woord is geen kledingstuk?

Welk woord is géén meervoud?

Welk woord heeft een ander geslacht dan de andere twee?

Welk woord is geen getal?

Welk woord is géén meervoud?

Welk woord is geen eten of drinken?

Welk woord is geen kleur?

Welk woord is geen bijvoeglijk naamwoord?

Welk woord is géén meervoud?

Oefening 17

Schrijf het getal

Schrijf het getal of de prijs in woorden. Let op euro of eura.

0 / 0 goed

Getal:64

Getal:12

Getal:99

Getal:38

Getal:3 €

Getal:25 €

Getal:20

Getal:41

Getal:100

Getal:15

Getal:79

Getal:7

Getal:1 €

Getal:23

Getal:82

Getal:56

Oefening 18

Zin en betekenis

Klik links een woord aan en daarna rechts wat erbij hoort (of omgekeerd). Een paar telt als juist als je het zonder fout vindt.

0/10 paren gevonden
Reeks 1 van 2
Reeks 2 van 2
Oefening 19

Gesprekken (1)

Drie gesprekken met alles wat je tot nu toe leerde. In de woordenbank staan ook een paar woorden die niet passen.

Tip: lees het gesprek hardop, zeker als je het ingevuld hebt. Zo oefen je meteen je uitspraak, en onthoud je de zinnen veel beter.

Aankomst

Ivana haalt Tom af aan het station. Ze kennen elkaar nog niet en spreken eerst formeel (Vi).

Woorden:jeJesiJestekovčeziJesamumornaumoranDragosu
Ivana

Dobar dan! li Vi Tom?

Tom

! A Vi ste Ivana?

Ivana

Da. mi je! Kako ste?

Tom

Dobro, hvala. Malo sam .

Ivana

Gdje su ?

Tom

Kovčezi tamo.

Koffie en taart

Petra bestelt in een café. De ober spreekt haar formeel aan (Vi).

Woorden:kavaHvalagladangladnaeuramalikavumala
Ober

Dobar dan! Izvolite.

Petra

Jednu i jedan kolač, molim.

Ober

Velik ili kolač?

Petra

Velik! Jako sam .

Ober

Kava i kolač su šest .

Petra

Izvolite. !

Een nieuwe leerling

De lerares begroet de klas. Er is een nieuwe leerling. Ze praten informeel (ti).

Woorden:učeniciGdjenovatkoSplitaOdaklenoviučeniki
Lerares

Dobro jutro, !

Klas

Dobro jutro!

Lerares

A je to?

Luka

Ja sam Luka. Ja sam učenik.

Lerares

si, Luka?

Luka

Iz sam.

Oefening 20

Gesprekken (2)

Nog drie gesprekken. Zet de woordenbank uit als je het jezelf moeilijker wilt maken.

Tip: lees het gesprek hardop, zeker als je het ingevuld hebt. Zo oefen je meteen je uitspraak, en onthoud je de zinnen veel beter.

Op de markt

Ana koopt brood en appels op de markt. Ze spreekt de verkoper formeel aan (Vi).

Woorden:koštaeuroJeeuraJesudobriHvaladobrejabuke
Ana

Dobar dan! Koliko kruh?

Verkoper

Kruh je dva .

Ana

A jabuke? li dobre?

Verkoper

Jesu, jako su ! Tri eura.

Ana

Dobro. Kruh i , molim.

Verkoper

To je pet eura. !

Niet zo goed

Petra komt Marko tegen. Ze praten informeel (ti).

Woorden:kavusteglavasidobrogladanJesiJegladna
Petra

Bok, Marko! Kako ?

Marko

Nisam . Boli me .

Petra

Jao! li umoran?

Marko

Jesam. I sam.

Petra

Idemo na i kolač!

De zwarte jas

Ivana en Ana zijn aan het winkelen. Ze praten informeel (ti).

Woorden:KolikoJesuskupaplaveJeeuraskupolijepaplavi
Ivana

Crna jakna je jako !

Ana

Da! A hlače? li skupe?

Ivana

Nisu. Hlače su i jeftine.

Ana

Super! košta jakna?

Ivana

Jakna je pedeset .

Ana

Joj, to je !