← Terug naar oefeningen
Oefening 11.1

Welk vraagwoord?

Lees wat je wilt weten en kies het vraagwoord dat past.

0 / 0 goed

Je wilt weten wie dat is.

___ je to?

Je wilt weten hoe het weer is.

___ je vrijeme?

Je wilt weten wanneer het ontbijt is.

___ je doručak?

Je wilt weten waarom iemand geen honger heeft.

___ nisi gladan?

Je wilt weten hoe het met iemand gaat.

___ si?

Je wilt weten waar iemand vandaan komt (formeel).

___ ste?

Je wilt weten welk T-shirt iemand bedoelt.

___ majica?

Je wilt weten waar jullie naartoe gaan.

___ idemo?

Je wilt weten hoeveel de jas kost.

___ košta jakna?

Je wilt weten wat dat is.

___ je to?

Je wilt weten waar Marko is.

___ je Marko?

Je wilt weten waarom Ana moe is.

___ je Ana umorna?

Oefening 11.2

Kakav, kakva of kakvo?

Kies de vorm die past bij het geslacht van het woord, en let op het meervoud (su).

0 / 0 goed

___ su sela?

___ su cipele?

___ su ljudi?

___ je vrijeme?

___ je grad?

___ su hlače?

___ je vino?

___ je kava?

___ je stan?

___ je more?

___ je tata?

___ je kuća?

Oefening 11.3

Koji, koja of koje?

Kies de vorm van welk die past bij het woord: mannelijk, vrouwelijk, onzijdig, of meervoud.

0 / 0 goed

___ kolega?

___ torba?

___ selo?

___ naočale?

___ grad?

___ majica?

___ sela?

___ studenti?

___ vino?

___ dijete?

___ džemper?

___ cipele?

Oefening 11.4

Kakav, koji of kako?

Wil je weten hoe iets is (kakav), welk het is (koji) of hoe het gaat (kako)? Kies de juiste vraag.

0 / 0 goed

Je wilt weten hoe de kinderen zijn (lief, moe…).

In de winkel liggen twee broeken. Je vraagt welke duur is.

Je wilt weten hoe het met Ana gaat.

Je wilt weten hoe het appartement is.

Je wilt weten welke studenten uit Split komen.

Je wilt weten wat voor iemand de nieuwe collega is.

Je wilt weten hoe het weer is.

Je wijst een stad aan op de kaart en vraagt welke het is.

Er hangen drie T-shirts. Je vraagt welk iemand bedoelt.

Je wilt weten hoe de koffie is.

Je wilt weten hoe het met de kinderen gaat.

Je wilt weten of de wijn lekker is.

Oefening 11.5

Vraag en antwoord

Klik links een woord aan en daarna rechts wat erbij hoort (of omgekeerd). Een paar telt als juist als je het zonder fout vindt.

0/10 paren gevonden
Reeks 1 van 2
Reeks 2 van 2
Oefening 11.6

Vul de juiste vorm in

De eerste vraag toont een vorm van kakav of koji. Schrijf de vorm die bij het tweede woord past.

0 / 0 goed

Zin:Koje selo? … stol?

Zin:Kakav je džemper? … su cipele?

Zin:Kakvo je selo? … je grad?

Zin:Kakav je stan? … je kuća?

Zin:Kakvo je more? … su sela?

Zin:Kakva je torba? … su ljudi?

Zin:Koji džemper? … cipele?

Zin:Koja torba? … vino?

Zin:Koji grad? … majica?

Zin:Koje vino? … sela?

Zin:Koja kava? … studenti?

Zin:Kakva je kava? … je vino?

Oefening 11.7

Bouw de zin

Typ de zin, of tik de woorden aan in de juiste volgorde. Hoofdletters, leestekens en accenten hoeven niet. Let op: er zit soms een woord bij dat er niet in hoort.

0 / 0 goed

Waar gaan we heen?

Welk T-shirt is duur?

Wanneer is het ontbijt?

Welke studenten komen uit Split?

Hoeveel kost de jas?

Hoe zijn de dorpen?

Waarom ben je moe?

Waar komt u vandaan?

Hoe zijn de schoenen?

Hoe is het weer vandaag?

Welke wijn is goed?

Hoe is het nieuwe appartement?

Oefening 11.8

Goed of fout?

Lees de zin en kies of hij klopt. Na je keuze zie je waarom.

0 / 0 goed

Je zegt: Kakav je kava?

kamo betekent waarheen.

Kakvi su ljudi? is correct.

kakav verandert nooit.

zašto betekent wanneer.

Kakvo je vrijeme? is correct.

“Hoe gaat het?” is: Kakav si?

koje kan onzijdig enkelvoud én vrouwelijk meervoud zijn.

Over tata vraag je: Kakva je tata?

Met koji vraag je welk ding iemand bedoelt.

In kakva valt de a van kakav weg, net als bij dobar → dobra.

Je zegt: Koji cipele?

Oefening 11.9

Vertaal naar het Kroatisch

Typ de Kroatische vertaling. Hoofdletters, leestekens en accenten (š, č, …) hoeven niet.

0 / 0 goed

Nederlands:Welk T-shirt?

Nederlands:Welke schoenen?

Nederlands:Hoe is het weer?

Nederlands:Wanneer?

Nederlands:Waarom?

Nederlands:Wanneer is het ontbijt?

Nederlands:Hoe is het appartement?

Nederlands:Waarheen?

Nederlands:Waar gaan we heen?

Nederlands:Hoe zijn de mensen?

Nederlands:Welke wijn?

Nederlands:Waarom ben je moe?

Oefening 11.10

Vul het gesprek aan

Vul de ontbrekende woorden in: vooral vraagwoorden, en de vormen van kakav en koji.

Tip: lees het gesprek hardop, zeker als je het ingevuld hebt. Zo oefen je meteen je uitspraak, en onthoud je de zinnen veel beter.

In de winkel

Ana koopt kleren. Ze spreekt de verkoopster formeel aan (Vi).

Woorden:KojaKojikakvikojekakvelijepeKolikojeftineskupe
Ana

Dobar dan! košta majica?

Verkoopster

majica? Plava ili crvena?

Ana

Plava. A cipele su jeftine?

Verkoopster

Plava je deset eura. Crne cipele su .

Ana

A su? Jesu li lijepe?

Verkoopster

Jako su !

Aan de telefoon

Ivana belt Tom, die op vakantie is aan zee. Ze praten informeel (ti).

Woorden:ZaštoKakoLijepoKakvoKakvaLijepkakavBokKada
Ivana

Bok, Tom! si?

Tom

Dobro sam! Ja sam na moru.

Ivana

Super! je vrijeme?

Tom

je! A je Zagreb?

Ivana

Zagreb je hladan. nisi ovdje?

Tom

Jer je more lijepo! !