Tijelo: Het lichaam
Een themales is een makkelijkere les: geen nieuwe grammatica, wel veel nieuwe woorden. In dit thema leer je de delen van het tijelo (lichaam). Je herhaalt meteen het geslacht uit les 2: kijk naar de laatste letter, en het geslacht staat er telkens bij (m, ž, s).
Geslacht:mmuški rod(mannelijk)žženski rod(vrouwelijk)ssrednji rod(onzijdig)mv.množina(alleen meervoud)
Het hoofd
- glavažhoofdglava
- kosažhaarkosa
- licesgezichtlitse
- okosoogoko
- uhosooroecho
- nosmneusnos
- ustamv.mondoesta
- zubmtandzoeb
- vratmnek, halsvrat
Het lijf
- ramesschouderrame
- rukažarm, handroeka
- lakatmellebooglakat
- prstmvingerprst (de r is de klinker)
- trbuhmbuiktrboech
- leđamv.rugledja
- nogažbeen, voetnoga
- koljenoskniekoljeno
- stopalosvoet(zool)stopalo
- srceshartsrtse
- tijeloslichaamtijelo
Let op: usta en leđa
usta (mond) en leđa (rug) bestaan alleen in het meervoud, net als het Nederlandse “hersenen”. Ze eindigen op -a, maar zijn dus niet vrouwelijk.
Doet er iets pijn? Boli me…
Zeg Boli me + het lichaamsdeel. Letterlijk is het “het doet mij pijn, het hoofd”. Je mag het ook omdraaien: Glava me boli.
- Boli me glava.Ik heb hoofdpijn.
- Boli me trbuh.Ik heb buikpijn.
- Boli me zub.Ik heb kiespijn.
- Boli me noga.Mijn been / voet doet pijn.
Ovo, to en ono
Met ovo, to en ono uit les 3 wijs je lichaamsdelen aan: ovo is bij jou, to bij de ander.
- Ovo je ruka.Dit is een hand. (je eigen hand)
- To je nos.Dat is een neus. (bij de ander)
- Što je to? To je uho.Wat is dat? Dat is een oor.
ruka is zowel je arm als je hand, en noga zowel je been als je voet. Wil je het precies zeggen, dan is een hand šaka en een voet stopalo, maar in het dagelijks leven hoor je vooral ruka en noga.
Klaar met deze les? Vink ze af, dan zie je ze terug in je voortgang (daarvoor heb je een account nodig).