Pitanja
Vragen stellen
Er zijn twee soorten vragen: vragen met een vraagwoord (Waar is Ana?) en ja/nee-vragen (Is Ana hier?). De vraagwoorden ken je grotendeels al uit les 3. Voor ja/nee-vragen gebruik je de lange vorm van biti uit les 4.
Vragen met een vraagwoord
| Vraagwoord | Betekenis | Voorbeeld | Vertaling |
|---|---|---|---|
| tko | wie | Tko je to? | Wie is dat? |
| što | wat | Što je to? | Wat is dat? |
| gdje | waar | Gdje je Ana? | Waar is Ana? |
| kako | hoe | Kako si? | Hoe gaat het? |
| odakle | waarvandaan | Odakle si? | Waar kom je vandaan? |
| koliko | hoeveel | Koliko košta? | Hoeveel kost het? |
Na het vraagwoord komt de korte vorm van biti, op de tweede plaats, zoals je in les 4 leerde: Gdje je Ana? Odakle si?
Ja/nee-vragen: lange vorm + li
Een ja/nee-vraag begint met de lange vorm van biti, gevolgd door het vraagwoordje li. Daarna komt de rest van de zin. Alleen bij hij, zij en het is de vraag gewoon Je li…?
| Persoon | Vraag | Voorbeeld | Vertaling |
|---|---|---|---|
| ti | Jesi li…? | Jesi li umoran? | Ben je moe? |
| on, ona, ono | Je li…? | Je li Ana ovdje? | Is Ana hier? |
| mi | Jesmo li…? | Jesmo li tamo? | Zijn we er? |
| vi, Vi | Jeste li…? | Jeste li Vi učiteljica? | Bent u lerares? |
| oni, one, ona | Jesu li…? | Jesu li oni iz Hrvatske? | Komen zij uit Kroatië? |
Over jezelf (Jesam li…?) stel je zelden een vraag, daarom staat ja hier niet bij.
Kort antwoorden
Kort antwoorden doe je ook met de lange vorm: Jesam. (ja) of de ontkenning: Nisam. (nee). Let op: je antwoordt over jezelf, dus op Jesi li…? zeg je Jesam, en op Jeste li vi…? (jullie) Jesmo. Je mag er Da (ja) of Ne (nee) voor zetten: Da, jesam. Ne, nisam.
| Vraag | Ja | Nee |
|---|---|---|
| Jesi li umoran? | Jesam. | Nisam. |
| Je li on ovdje? | Jest. | Nije. |
| Jeste li Vi učiteljica? | Jesam. | Nisam. |
| Jeste li vi iz Belgije? | Jesmo. | Nismo. |
| Jesu li oni iz Hrvatske? | Jesu. | Nisu. |
Je hoort soms ook Da li si umoran? Die vorm is vooral Servisch en Bosnisch. In het Kroatisch zeg je Jesi li umoran?